Gebruik van (digitale)leermidelen in het Vlaamse onderwijs

De kwaliteit van het Vlaamse onderwijs staat de laatste jaren sterk onder druk. Internationale studies zoals PISA, PIRLS en TIMSS, aangevuld met Vlaamse peilingen en centrale toetsen, tonen een dalende trend in prestaties voor wiskunde, wetenschappen en begrijpend lezen. Steeds meer leerlingen behalen de minimumdoelen niet. In het publieke debat worden diverse oorzaken genoemd, waaronder de toenemende diversiteit in de klas, het lerarentekort en niet-effectieve didactische praktijken. Ook de rol van leermiddelen komt hierbij steeds nadrukkelijker in beeld. Leermiddelen zijn cruciale schakels in de didactisch-pedagogische driehoek tussen leraar, leerling en leerinhoud. Ze ondersteunen het leerproces maar impliceren tegelijk keuzes over inhoud en visie op onderwijs. Vlaanderen kent echter geen formele kwaliteitsmonitoring van leermiddelen. De onderwijspraktijk wordt gekenmerkt door een breed en divers aanbod, waarbij invulboeken en digitale tools steeds meer ingang vinden. Dit roept vragen op over de invloed van leermiddelen op zowel leerresultaten als de professionaliteit van leraren. Enerzijds kunnen leermiddelen structuur en inspiratie bieden, anderzijds schuilt het risico dat ze de professionele ruimte van leraren en de actieve rol van leerlingen beperken. Het voorgestelde onderzoek beoogt systematisch in kaart te brengen hoe leraren in Vlaanderen (digitale) leermiddelen voor Nederlands en wiskunde selecteren en gebruiken. Centraal staan vijf onderzoeksvragen: (1) welke soorten leermiddelen worden ingezet en hoe verschilt dit tussen onderwijsniveaus, finaliteiten en de vakken Nederlands en wiskunde; (2) hoe maken leraren en schoolteams keuzes, welke factoren spelen daarbij een rol en in welke mate bestaat er een leermiddelenbeleid in de Vlaamse scholen; (3) hoe worden leermiddelen in de klaspraktijk ingezet, variërend van strikte navolging tot flexibel gebruik; (4) welke invloed ervaren leraren en leerlingen van leermiddelen op leerproces en leerprestaties; en (5) hoe beïnvloeden leermiddelen de professionaliteit van leraren. Theoretisch wordt aangesloten bij de notie dat leermiddelen geen neutrale objecten zijn, maar dynamische instrumenten die pas betekenis krijgen in de interactie met leraren en leerlingen (instrumental genesis). Het ecologisch kader van teacher agency (Priestley, Biesta & Robinson, 2013) biedt daarbij houvast om de keuzes en het handelen van leraren te begrijpen vanuit hun verleden, huidige context en toekomstperspectief. Voor leerlingen wordt de rol van leermiddelen bekeken vanuit Biesta’s driedeling van kwalificatie, socialisatie en subjectificatie, waarbij bijzondere aandacht gaat naar de mate waarin leermiddelen ruimte laten voor autonomie en diepgaand leren. Methodologisch kiest dit project voor een mixed-methods design. In een eerste fase wordt via een grootschalige online bevraging bij leraren en schoolleiders een representatief beeld geschetst van het gebruik, de selectieprocessen en percepties rond leermiddelen. In een tweede fase worden focusgroepen en video-stimulated recall interviews georganiseerd op tien scholen (lager en secundair) om de betekenisgeving en het concrete gebruik in de klaspraktijk diepgaand te onderzoeken. De resultaten zullen uitmonden in een verfijnde typologie van leermiddelen en een beter begrip van selectie- en gebruiksprocessen. Daarnaast worden aanbevelingen geformuleerd die scholen, leraren en beleidsmakers kunnen ondersteunen bij het maken van onderbouwde keuzes rond leermiddelen. Op die manier wil het project inzicht bieden dat de onderwijskwaliteit in Vlaanderen ten goede kan komen, met behoud van de professionele ruimte van de leraar.
Code
DEP Leermiddelen 25
Startdatum
Einddatum
Financieringskanaal
Vlaamse regering - departementen
Departement Onderwijs en Vorming
Projectleider
Projectmedewerker
Partners
  • UC Limburg (BE)
  • Katholieke Hogeschool Vives Zuid (BE)
  • Katholieke Universiteit te Leuven (BE)